Heidens denken

H

Wij kennen het verhaal van Genesis 3. Maar misschien vergeten we het wel graag. Of vinden we het wat onwerkelijk, een soort sprookje. Maar het is onze geschiedenis en wij hebben er nog steeds mee te maken, elke dag. De vijandschap tussen God en de satan met de mens als inzet: die speelt zich af in het doen en denken van ons mensen. De vraag is of we die nog herkennen. Bijvoorbeeld in de tegenstelling tussen het heidense denken en het denken van een christen.

  1. Geen plaats voor God
  2. Streven naar onkwetsbaarheid
  3. Andere goden verzinnen
  4. Dat doen wij toch niet?
  5. Een voorbeeld
  6. Christelijk denken = ootmoedig wandelen met God

1.     Geen plaats voor God


Even je geheugen opfrissen:

Toen de HERE God de aarde geschapen had, stelde Hij Adam daar aan als zijn onderkoning. Hij plaatste hem in de hof van Eden, een schitterend landschap zonder enige wanklank, speciaal voor hem ingericht. Ook gaf Hij hem Eva, speciaal gebouwd uit een rib van Adam. Er was één beperking: ze mochten niet eten van de boom van de kennis van goed en kwaad.
– Hee, wat zouden daar nou voor vruchten aan zitten? De HERE had gezegd: Als je daarvan eet, zul je zeker sterven.

O nee hoor, zei de slang. Hij had een mooi, suggestief verhaal: Door van die boom te eten zullen juist je ogen opengaan. Dan zul je zelf kunnen uitmaken wat goed voor je is en wat niet. Je zult als God zijn… Maar omdat Hij dat niet wil, heeft hij gedreigd dat je zult sterven als je daarvan eet.

– Wat aanlokkelijk! Het was al zo’n heerlijke boom om te zien, en als je daardoor ook nog eens onafhankelijk van God werd… – Eva geloofde het maar al te graag. Zij at, ze gaf Adam en hij at ook.

Van toen af aan zit het bij ons allemaal in de genen: eigen meester, niemands knecht!
Want (zeg nou zelf) is het niet onverdraaglijk: Iemand van Wie je van a tot z afhankelijk bent? Voor elke ademtocht, elke handeling, elke beslissing die je wilt nemen…

Maar deze houding is een klap in het gezicht van de levende God, die ons dag aan dag draagt. Zoals Paulus uitlegt aan de mensen in Lystre (Handelingen 14: 15-17):
Hij verzorgt zelfs mensen die leven alsof Hij niet bestaat. Hij geeft regen en vruchtbare tijden, verzadigt ons met voedsel en vreugde. En juist omdat Hij zo goed is, is er alle reden om zich tot Hem te bekeren. Des te meer nu Hij zijn Zoon gezonden heeft om ieder te redden die in Hem gelooft.

2.     Streven naar onkwetsbaarheid


Terug naar Genesis 3:

Zij aten. Toen gingen hun ogen open, en ze zagen… hun naaktheid. Zo kwetsbaar! En doodsbang om God onder ogen te komen. Ze probeerden wat te doen aan die kwetsbaarheid, maar vonden zo gauw niets beters dan vijgenbladeren. En toen ze de HERE hoorden komen, vluchtten ze weg in de struiken…

Hij zei hun het oordeel aan: zij hadden het verschil tussen goed en kwaad leren kennen (al was het op een andere manier dan ze gedacht hadden) en zijzouden het ondervinden. Na een leven vol moeite en tegenslagen, gebukt onder de macht van de satan, zouden ze sterven.

Ook dat zit bij ons in de genen: het besef van kwetsbaarheid en een levenslang streven om daar wat aan te doen – buiten God om.
Hoe dat gaat, weten we sinds het uitbreken van de coronapandemie weer heel goed: op hoop tegen hoop bescherming zoeken in lockdowns en vaccinaties. O ja, samen zullen we het fiksen… En denk vooral niet dat deze ramp ook maar iets te maken heeft met Gods hand.

3.     Andere goden verzinnen


Uit de tijd van vóór de zondvloed lezen we niets over afgoden; we weten dus niet of die toen al ‘uitgevonden’ waren. In de tijd daarna zijn ze er. Daarover hebben wij de aanvulling: Afgoden geschreven (bij schetsen over Abraham). We gaan er nu nog wat dieper op in.

Afgoden zijn niets, zegt de Bijbel op veel plaatsen. Ze zijn door mensen uitgedacht. En het gekke is: het lijken ook net mensen (Je kunt zeggen: de mens schept zich goden naar zijn beeld; een armzalig na-apen van God, die de mens schiep naar zijn beeld). Zij zijn nooit zo almachtig en alwetend, zo trouw en genadig als de God van de Bijbel. Wel veel sterker en machtiger dan mensen, maar ook zo typisch zondig-menselijk.
Misschien weet je wat van de oude Griekse en Germaanse goden: waar brengen ze een groot deel van hun ‘vrije tijd’ mee door? Precies: met feesten, ruzie maken en overspel.

Trekjes van typisch heidens denken over goden:

  • Ze hebben iets nodig van ons mensen; offers of aandacht of wat dan ook. En omdat ze iets nodig hebben, kun je ze ook beïnvloeden, omkopen met jouw offers, aandacht, vrome daden. Immers: voor wat hoort wat.
  • Afgoden van hun kant kunnen niet echt vergeven. Als je ze tekort doet (zondigt), bijvoorbeeld doordat ze te weinig van jou krijgen, krijg jij ook weinig terug. Tja: voor wat hoort wat.
  • Een god die alleen maar ver weg is: daar heb je niets aan. Je moet hem kunnen bereiken via iets aards, iets wat op hem lijkt of bij hem hoort: een beeld, een gebouw, een souvenir: voorwerpen die een magisch raakpunt vormen tussen jou en de godheid. Via zo’n voorwerp kun je jouw offer aan hem adresseren en kun je hem manipuleren.
    Ook priesters en profeten kunnen met hun magie – rituelen, bezweringen en toverkunsten –zo’n tussenschakel zijn.
  • Maar een god is ook gevaarlijk en onvoorspelbaar. Hij kan zomaar boos zijn om ik-weet-niet-wat. Het kan ook zijn dat jouw vijand of concurrent meer van hem gedaan krijgt dan jij. Of dat zijn concurrent, een andere god, machtiger blijkt te zijn. Om daar wat aan te doen kun je zulke magiërs inschakelen. [Een voorbeeld kom je tegen in de geschiedenis van Balak en Bileam (Numeri 22-24): Balak is bang voor de Israëlieten en vooral voor hun God; daarom huurt hij Bileam in om hen te vervloeken.]

Afgoden zijn niets. Maar achter die ‘nietigheden’ (I Samuel 11: 21) zit wel degelijk een werkelijke, gevaarlijke macht die er altijd op uit is om ons mensen te gronde te richten: de satan met zijn leger van demonen. Hij is bijzonder slim; hij weet precies hoe hij ons zondige hart bespelen kan; hoe hij ons ook via afgoden in zijn greep kan krijgen.

Daarvoor heeft de HERE ons op veel manieren gewaarschuwd; zie bijvoorbeeld I Korinthe 10: 16-21 en Efeze 6: 10-12.

4.     Dat doen wij toch niet?


Maar wij dienen toch geen afgoden? En magie: dat kennen wij toch niet?
Vergis je niet: onze tijd, onze moderne cultuur zit vol afgoden (zie voor voorbeelden weer de aanvulling: Afgoden). En ook vol magie: al die manieren van doen en denken “waardoor de mens macht tracht uit te oefenen op krachten die hij in de wereld (de natuur) tegenover zich vindt” (Van Dale). Kun je voorbeelden noemen? – Filmtitels bijvoorbeeld?

Om afgoden en magie te kunnen ontmaskeren, moet je veel in de Bijbel lezen. Dan leer je de God van de Bijbel kennen; dan ontdek je ook hoe anders Hij is:

  • Hij heeft alles al. Hemel en aarde en alles wat daarbij hoort is van Hem; Hij heeft het zelf gemaakt (Handelingen 17: 24-25). Hij is dus echt niet om te kopen (zie Psalm 50: 8-13). ; je moet het niet eens proberen: dat is immers een belediging van zijn almacht, maar ook van zijn goedheid en trouw!
  • Hij is niet wispelturig zoals heidense goden. Hij vergeeft echt en radicaal; niet zuinigjes als heidense goden, die er toe overgehaald moeten worden. Nee, Hij vergeeft omdat Hij dat wil;uit liefde. Want zo lief heeft Hij de wereld gehad dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft het eeuwige leven heeft.
  • Hij is heel dichtbij gekomen: de Here Jezus werd mens. Door het geloof in Hem zijn wij aan God verbonden. Hij heeft ook zijn Heilige Geest in ons hart gegeven; wil je het nog dichterbij hebben? Wij hoeven Hem niet te paaien met offers of bezweringen; wij zijn zijn lieve kinderen, die altijd bij Hem kunnen aankloppen – eenvoudig en eerbiedig vragen om wat we nodig hebben – en om Jezus’ wil luistert Hij vol liefde naar ons.

Hij wil wel dat wij dat onvoorstelbaar grote geschenk van Hem aannemen. Dat wij Hem daarvoor danken, Hem liefhebben en bij Hem komen om hulp (zie Psalm 50: 14-15).
Hij wil niet dat we Hem voorbijlopen of ‘gewoon’ vergeten. Omdat wij dan grote kans lopen om hopeloos verstrikt te raken in de netten van zijn tegenstander.

5.     Een voorbeeld


In de Bijbelse geschiedenis komen we veel voorbeelden tegen van heidens denken over God. In I Samuel 4 – 7 zie je er verschillende uitingen van, niet alleen bij de Filistijnen maar ook bij de Israëlieten: in hoe zij met Hem en met de ark omgaan.

I Samuel 4:

  1. De Israëlieten zeggen: “Laat (de ark) in ons midden komen, opdat die ons zal verlossen”. Zij denken: als de ark (dus God zelf) meegaat, moet Hij ons wel helpen. En ze juichen al bij voorbaat.
  2. De Filistijnen volgen dezelfde gedachtegang; zij zijn echte heidenen en ‘weten niet beter’. Zij schreeuwen het uit van angst, omdat ook zij de geschiedenis van de uittocht uit Egypte kennen: “Wee ons, wie zal ons redden uit de hand van deze machtige god?”[1]

– Ze zitten er allebei naast:

  1. De Israëlieten denken dat ze met de ark ook de HERE kwijt zijn. Maar zij kunnen en moeten beter weten.
    De HERE heeft Israël wel geleerd om eerbiedig om te gaan met de voorwerpen die door Hem heilig verklaard zijn. Omdat Hij ze heilig verklaart. Zo koos Hij de ark uit als zijn troon. Maar ook die heeft in zichzelf geen kracht.
  2. De Filistijnen denken dat hun goden blijkbaar machtiger zijn dan Hij, nu ze de ark veroverd hebben.
    Beide volken zullen ondervinden dat Hij, “de HEERE van de legermachten, Die tussen de cherubs troont” (4), zich niet laat manipuleren.

I Samuel 5:

Wat leer je uit dit gedeelte?

  1. Bedenk hoe de Filistijnen aankijken tegen hun goden. Waarom zouden ze de ark in het domein van hun god Dagon plaatsen, en waarom vermijden ze sindsdien de drempel aan te raken?
  2. Zie eens hoe de HERE lijkt mee te gaan in hun heidens, magisch denken:
    Ze dachten met de ark ook Hemzelf in hun macht te hebben: in die gouden kist zit immers de kracht van Israëls God, die machtige God die Egypte te gronde richtte (zie boven, I Samuel 4). Nu knoopt Hij a.h.w. aan bij dat denken, om hun te leren dat Hij nog steeds onoverwinnelijk is, veel machtiger dan hun eigen goden, en niet even van zijn volk af te pakken.
    Hun denken klopt niet, maar hun conclusie is wel terecht: Hij heeft de hand in deze rampen. Hij eist zijn eigendom terug.

I Samuel 6:

  1. De Filistijnen beseffen (binnen hun denkkader) dat ze niet kunnen volstaan met terugsturen. Zij hebben die God tegen zich in het harnas gejaagd en Hij moet op de een of andere manier verzoend worden: een schuldoffer (vs. 3-4). Vandaar die gouden afbeeldingen.
  2. Anderzijds houden ze er rekening mee dat ze de situatie misschien verkeerd hebben ingeschat en dat die builen- en muizenplaag toevallig samenviel met de aanwezigheid van de ark. Vandaar de test met de koeien.

I Samuel 7:

De mannen van Beth Semes (Israëlieten, Levieten) zijn blij dat de ark terug is en brengen dankoffers en slachtoffers. Maar zodra ze met Gods heiligheid in aanraking komen, willen ze ervan af. Uit hun woordkeus kun je afleiden dat ze van de HERE zelf af willen: ze kiezen ervoor Hem te laten vertrekken i.p.v. te smeken om zijn genade en hun best te doen om voortaan heiligte leven.
Vergelijk dat eens met Mozes: hij hield van de HERE, heel intens, ondanks zijn ‘vrees en beven’ voor Gods hemelse majesteit (zie Hebreeën 12: 18-21): zijn liefde voor de HERE was groter dan zijn vrees. Hij besefte ook hoe afhankelijk het volk van de HERE was voor zijn toekomst. Mozes was vooral bang om de HERE kwijt te raken. Daarom vroeg hij na de zonde met het gouden kalf: ‘Als U niet meegaat, laat ons dan niet verder trekken!’ (zie Exodus 33: 14-16)

Een ander voorbeeld bespreken we in de aanvulling: De heks van Endor (bij 1 Samuel 28)

6.     Christelijk denken = ootmoedig wandelen met God

Zie je het verschil?
Heidens denken over God: Leef goed en volgens de wet, breng veel offers, dan moet God jou wel goed doen:

Waarmee zal ik de HEERE tegemoet gaan
en mij buigen voor de hoge God?
Zal ik Hem tegemoet gaan met brandoffers,
met eenjarige kalveren?
Zou de HEERE behagen scheppen in duizenden rammen,
in tienduizenden oliebeken?
Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding,
de vrucht van mijn moederschoot voor de zonde van mijn ziel? (Micha 6: 6-7)

De Bijbelse volgorde is andersom. Omdat de HERE jou heeft verlost, wil jij leven naar zijn wil. En wat is zijn wil?

Hij heeft u, mens, bekendgemaakt wat goed is
en wat de HEERE van u vraagt:
niets anders dan recht te doen,
goedertierenheid lief te hebben
en ootmoedig te wandelen met uw God. (Micha 6:8)

Maken wij geen afgodsbeelden?
Wat doen wij anders,
– wanneer we bidden zonder dat we ons diep afhankelijk weten van zijn genade?
– wanneer wij stiekem denken dat de HERE tochwel dankbaar mag zijn voor onze toewijding, en tegelijk onze naasten tekort doen?

Het is hard nodig om door te denken over dit verschil tussen God en de afgoden. Zodat we goed beseffen wat Hij van ons vraagt, in het eerste en in het tweede gebod.


[1]  of: “…deze machtige goden”. Het Hebreeuwse ‘elohim’ betekent meestal ‘God’: de ene God van Israël. Maar je kunt het soms ook vertalen met ‘goden’.

Tags

Categories